
Je voelt je beter door testosteron. Betekent dat dat je het tekortkwam?
Ze is 52. Ze slaapt al een tijd minder goed, voelt zich moe en merkt dat haar lichaam veranderd is. Trainen kost meer moeite dan vroeger. Na een werkdag is de energie op. Ze mist haar oude drive en zegt iets wat veel vrouwen in deze levensfase zullen herkennen:
Dan begint ze met testosteron.
Een paar weken of maanden later vertelt ze enthousiast dat ze verschil merkt. Ze heeft weer zin om te trainen. Haar libido is verbeterd. Ze voelt zich sterker en energieker.
Het klinkt aannemelijk. Je dient iets toe, de klachten verbeteren, dus blijkbaar was er te weinig van.
En precies daar wordt het fysiologisch interessant.
Want een vrouw kan zich werkelijk beter voelen door testosteron, zonder dat haar oorspronkelijke klachten werden veroorzaakt door een testosterontekort.
Rond estradiol kennen we het verhaal inmiddels goed. Tijdens de menopauzetransitie verandert de ovariumfunctie, estradiol kan sterk fluctueren en neemt uiteindelijk substantieel af.
Bij testosteron verloopt de levensloop anders.
Testosteronconcentraties veranderen bij vrouwen geleidelijk met het ouder worden. De natuurlijke menopauzetransitie veroorzaakt geen vergelijkbare scherpe testosterondaling.
Dat maakt de steeds populairdere boodschap dat vrouwen tijdens de menopauze hun testosteron verliezen en het daarom moeten “terugeisen” fysiologisch merkwaardig.
Want wat eisen we dan precies terug?
Testosteron hoort absoluut bij het vrouwenlichaam. Het heeft belangrijke fysiologische functies. Maar het verhaal waarin de menopauze een testosterontekort veroorzaakt dat vervolgens moet worden aangevuld, past niet goed bij wat we weten over het verloop van testosteron bij vrouwen.
En toch zijn er vrouwen die zich op testosteron duidelijk beter voelen.
Daar moeten we dus iets mee.
Stel dat we onze vrouw van 52 even verlaten en naar een heel andere omgeving gaan: de topsport.
Een gezonde atleet gebruikt testosteron en wordt sterker. De spiermassa neemt toe en de fysieke prestatie verbetert.
Wat concluderen we dan?
Vrijwel niemand zal zeggen:
We begrijpen direct dat er iets anders gebeurt. Een biologisch actieve stof wordt toegediend en beïnvloedt de fysiologie.
Testosteron is namelijk een anabool-androgeen steroïdhormoon.
De anabole steroïden die we uit de sport kennen, behoren tot dezelfde farmacologische familie. Sommige dopinggebruikers gebruiken zelfs testosteron zelf.
En testosteron staat niet voor niets op de dopinglijst.
Een hogere androgeenblootstelling kan spiermassa, kracht en fysieke prestaties beïnvloeden. Ook bij gezonde vrouwen zijn prestatiebevorderende effecten van verhoogde testosteronblootstelling experimenteel aangetoond.
Dat betekent natuurlijk niet dat een zorgvuldig gedoseerde medische testosteronbehandeling bij een vrouw hetzelfde is als een dopingkuur. Dosis, blootstelling, indicatie en monitoring verschillen wezenlijk.
De vergelijking is om een andere reden relevant.
Een effect van testosteron bewijst niet dat er vooraf een tekort bestond.
En daarmee kunnen we terug naar onze vrouw van 52.
Als zij zich na testosteron sterker voelt, meer drive ervaart, meer zin heeft in seks of rapporteert dat haar “energie terug is”, kan die ervaring volledig reëel zijn.
De volgende vraag is alleen: wat is er precies verbeterd en waarom?
Wat is eigenlijk “meer energie”?
Dat woord gebruiken we opvallend gemakkelijk.
Maar fysiologisch kan daar van alles onder zitten.
Een vrouw kan slaperig zijn doordat ze slecht slaapt. Ze kan uitgeput raken doordat nachtelijk zweten haar slaap fragmenteert. Ze kan weinig motivatie ervaren. Haar libido kan verminderd zijn. Ze kan spierkracht hebben verloren. Haar cardiorespiratoire fitheid kan laag zijn. Ze kan een hoge mentale of sociale belasting hebben. Er kan sprake zijn van metabole kwetsbaarheid, onvoldoende energie-inname of een medische oorzaak voor vermoeidheid.
Al deze vrouwen kunnen dezelfde zin uitspreken:
Terwijl de onderliggende fysiologie totaal verschillend kan zijn.
Dat wordt extra interessant wanneer we fysieke capaciteit meenemen.
Stel dat onze 52-jarige vrouw een lage VO₂max heeft. Dan vraagt een bepaalde absolute inspanning een groter percentage van haar maximale aerobe capaciteit.
De trap op kantoor is nog steeds dezelfde trap.
Maar voor een vrouw met een hoge cardiorespiratoire fitheid vormt die trap een kleine belasting. Voor iemand met weinig aerobe reserve kan diezelfde trap een veel groter deel van haar beschikbare capaciteit vragen.
Hetzelfde gebeurt bij spierkracht.
Een boodschappentas wordt niet zwaarder omdat je ouder wordt. Maar wanneer je maximale kracht afneemt, wordt diezelfde tas relatief zwaarder.
De wereld om je heen verandert nauwelijks.
De verhouding tussen wat die wereld van je vraagt en wat je lichaam aankan, kan wél veranderen.
En dát kan voelen als vermoeidheid.
Minder dan de helft van de Nederlandse volwassenen voldoet aan de beweegrichtlijnen. Overgewicht en obesitas komen veel voor, ook bij vrouwen van middelbare leeftijd.
Dat betekent uiteraard niet dat iedere vermoeide vrouw vooral meer moet bewegen of afvallen. Vermoeidheid verdient een brede beoordeling.
Het betekent wel dat we een merkwaardige afslag nemen wanneer we een vrouw met weinig energie uitgebreid naar haar hormonen vragen, maar nauwelijks weten hoe fit en sterk zij eigenlijk is.
Bij onze vrouw van 52 zou ik daarom willen weten hoe haar nachten eruitzien. Of ze vasomotorische klachten heeft. Hoeveel ze daadwerkelijk beweegt. Wanneer ze voor het laatst echt haar spierkracht heeft getraind. Hoe haar cardiorespiratoire belastbaarheid is. Hoe haar lichaamssamenstelling en metabole gezondheid zich hebben ontwikkeld. Of haar voeding past bij haar belasting. Hoe groot haar totale dagelijkse belasting is en hoeveel herstel daar tegenover staat.
En natuurlijk wil je weten of er medische verklaringen voor haar vermoeidheid zijn.
Dan ontstaat een veel interessanter beeld dan één hormoonwaarde of één symptoom ooit kan geven.
Daar hoeven we ook niet geheimzinnig over te doen.
Testosteron hoort bij de vrouwelijke fysiologie en testosterontherapie heeft een onderbouwde plaats binnen de vrouwengezondheid. De sterkste internationale consensus bestaat voor behandeling van hypoactive sexual desire disorder (HSDD) bij postmenopauzale vrouwen, na een passende biopsychosociale beoordeling.
Dat is een concrete indicatie.
Het huidige maatschappelijke verhaal wordt alleen veel breder.
Testosteron wordt steeds vaker verbonden aan energie, vitaliteit, spiermassa, brain fog, motivatie, herstel, anti-aging en het gevoel “eindelijk weer mezelf te zijn”.
Voor al die uitkomsten bestaat niet dezelfde mate van therapeutisch bewijs.
Dat verschil is belangrijk.
Want zodra we iedere positieve ervaring interpreteren als bewijs voor een hormoontekort, draaien we oorzaak en effect gemakkelijk om.
Daar komt nog een tweede vraag bij.
Onze vrouw krijgt testosterongel voorgeschreven. Zoals regelmatig gebeurt bij vrouwen, kan dat een preparaat zijn dat oorspronkelijk voor mannen is ontwikkeld. Zij krijgt instructies om daarvan een kleine hoeveelheid te gebruiken, gericht op een testosteronblootstelling binnen de fysiologische vrouwelijke range.
Ze smeert.
Ze voelt zich beter.
En op een ochtend denkt ze:
“Dat kleine beetje doet zoveel. Misschien werkt een iets groter likje nog beter.”
Dat klinkt misschien onschuldig.
Farmacologisch is het een relevante stap.
Testosteron heeft dosisafhankelijke biologische effecten. Een hogere blootstelling kan dus meer merkbare effecten geven.
Meer effect betekent alleen niet automatisch een betere dosering.
Want de androgeenreceptor zit niet uitsluitend op de plekken waar we het effect graag willen hebben.
Haarfollikels reageren op androgenen. De huid reageert. Spierweefsel reageert. Ook de larynx en het clitorale weefsel zijn androgeengevoelig.
En dan ontstaat een probleem waarvoor we geen mooi afkappunt hebben.
Waar ligt de grens?
We kunnen niet voor iedere vrouw vooraf zeggen:
“Tot deze testosteronconcentratie krijg jij alleen de gewenste effecten, en vanaf de volgende 0,1 nmol/L begint androgenisering.”
Zo werkt de fysiologie niet.
De gevoeligheid voor androgenen verschilt tussen vrouwen. SHBG en daarmee de vrije fractie spelen mee. Lokale omzetting naar sterkere androgenen zoals DHT speelt een rol. Dosis, piekblootstelling en duur van de blootstelling zijn relevant.
Bij fysiologische vrouwelijke testosteronconcentraties zien we in onderzoek vooral acne en een toename van gezichts- of lichaamsbeharing bij een deel van de vrouwen.
Wanneer de androgeenblootstelling supraphysiologisch wordt, neemt de kans op verdere androgenisering toe. Hirsutisme en androgenetische alopecie kunnen optreden. Bij sterkere of langdurigere blootstelling kunnen ook stemverlaging en clitorale vergroting ontstaan.
En sommige van deze veranderingen kunnen langdurig of deels irreversibel zijn.
Dat maakt doseren op het principe “ik voel me hier goed bij, dus iets meer zal nog beter zijn” een slecht experiment.
Juist omdat testosteron werkt.
Dat is uiteindelijk waarom ik de vergelijking met anabole steroïden in de sport wél relevant vind.
Medische testosterontherapie bij vrouwen en dopinggebruik zijn verschillende situaties.
Maar testosteron verandert niet van molecuul zodra we van de kleedkamer naar de spreekkamer lopen.
Het blijft een krachtig anabool-androgeen steroïdhormoon dat via dezelfde androgeenreceptor biologische effecten veroorzaakt.
In de sport begrijpen we zonder moeite dat een gezond lichaam door extra testosteron anders kan gaan functioneren en presteren.
Daarom moeten we voorzichtig zijn met de tegenovergestelde redenering bij vrouwen:
Ik voelde me beter nadat ik testosteron kreeg, dus mijn lichaam had blijkbaar testosteron nodig.
Misschien had zij inderdaad een passende indicatie voor testosterontherapie.
Misschien ervaart zij een farmacologisch effect.
Misschien werd haar vermoeidheid vooral veroorzaakt door slechte slaap, vasomotorische klachten, een lage VO₂max, geringe spierkracht, metabole kwetsbaarheid, hoge belasting of een combinatie daarvan.
Dat onderscheid kunnen we pas maken wanneer we verder kijken dan de ervaring dat testosteron “werkt”.
Wat zouden vrouwen dan wél mogen terugeisen?
Goede zorg.
Een serieus gesprek over seksuele gezondheid.
Toegang tot HST wanneer daar een passende indicatie voor bestaat.
Testosteron wanneer daar een onderbouwde indicatie voor bestaat, zorgvuldig gedoseerd en gemonitord.
Maar ook aandacht voor spierkracht, cardiorespiratoire fitheid, slaap, voeding, lichaamssamenstelling, cardiometabole gezondheid, herstel en totale belasting.
En vooral: nieuwsgierigheid naar waarom een vrouw moe is voordat we haar vermoeidheid aan één hormoon koppelen.
Want misschien is dat de belangrijkste boodschap in het hele testosterondebat:
Je beter voelen mét testosteron bewijst niet dat je je slecht voelde dóór een testosterontekort.
Dat maakt haar ervaring niet minder werkelijk.
Het maakt onze verklaring ervan beter.