
Waarom doen mijn gewrichten ineens zoveel pijn en ben ik zoveel meer stijver sinds de overgang?
“Sinds ik in de overgang ben, lijkt het wel alsof ik in een paar jaar twintig jaar ouder ben geworden. Mijn knieën doen pijn, mijn rug voelt als een houten plank en mijn handen zijn stijf als ik wakker word en als ik een tijdje heb gezeten, moet ik eerst op gang komen. Kan dat echt allemaal door mijn hormonen komen of heb ik een gewrichtsaandoening?”
Het is een verhaal en een zorg die veel vrouwen zullen herkennen.
En het ingewikkelde is: ja, hormonen kunnen hierin een rol spelen. Maar nee, dat betekent niet automatisch dat al die pijn door de overgang wordt veroorzaakt en ook niet per definitie door een aandoening.
Dat onderscheid wordt belangrijk nu er steeds vaker gesproken wordt over het Musculoskeletal Syndrome of Menopause, afgekort MSM. Daarmee wordt een verzameling klachten en veranderingen van het bewegingsapparaat bedoeld die rond de menopauze kunnen optreden.
Maar wat gebeurt er eigenlijk met je bewegingsapparaat wanneer je hormonen veranderen?
Je gewrichten zijn niet ineens tien jaar ouder
Tijdens de perimenopauze — de jaren vóór de laatste menstruatie waarin de hormoonhuishouding al verandert — gebeurt er hormonaal behoorlijk veel. Oestradiol daalt niet netjes en geleidelijk, maar kan eerst sterk fluctueren. Ovulaties worden minder voorspelbaar en daarmee verandert ook de progesteronproductie. Uiteindelijk ontstaat na de menopauze een veel stabielere situatie met langdurig lage oestrogeenconcentraties.
Die verandering beperkt zich niet tot de voortplantingsorganen.
Oestrogeenreceptoren zitten onder andere in bot, spieren, pezen, ligamenten — de banden die gewrichten ondersteunen — kraakbeen en het synovium, het weefsel dat de binnenzijde van een gewricht bekleedt. Geslachtshormonen beïnvloeden daarnaast het immuunsysteem én processen die betrokken zijn bij pijnwaarneming.
Het is dus helemaal niet vreemd dat een grote hormonale transitie ook in het bewegingsapparaat merkbaar kan worden.
Wat echter cruciaal is in dit verhaal is het onderscheid tussen pijn en schade.
Een pijnlijke knie vertelt niet precies hoeveel artrose erin zit of dat er een blessure aan ten grondslag moet liggen
Dat weten we eigenlijk al heel lang uit artroseonderzoek en onderzoek naar chronische pijn.
Sommige mensen hebben forse radiologische artrose — artrose die duidelijk zichtbaar is op bijvoorbeeld een röntgenfoto — en relatief weinig pijn. Bij anderen zien we veel minder structurele afwijkingen, terwijl de pijn behoorlijk beperkend kan zijn.
Dat komt omdat pijn niet simpelweg een meetinstrument voor weefselschade is.
Een beschadigd of geïrriteerd gewricht levert signalen aan het zenuwstelsel. Maar hoeveel pijn je uiteindelijk ervaart, wordt mede bepaald door wat er rondom die signalen gebeurt.
Lokale inflammatie speelt daarbij een rol. Met inflammatie bedoelen we de activiteit van ontstekings- en afweerprocessen in een weefsel of in het lichaam. Dat hoeft dus niet te betekenen dat er sprake is van een acute ontsteking met roodheid, warmte en zwelling.
Ook de gevoeligheid van het perifere zenuwstelsel — de zenuwen buiten hersenen en ruggenmerg — en het centrale zenuwstelsel, dus hersenen en ruggenmerg, speelt een rol. Slaap, stress, eerdere pijnervaringen, lichamelijke belasting en verschillende biologische factoren kunnen de verwerking van pijn beïnvloeden.
En daar komen hormonen weer om de hoek kijken.
Tijdens een hormonale transitie kan ook pijn anders worden ervaren
Oestrogenen hebben invloed op verschillende systemen die betrokken zijn bij nociceptie: het waarnemen en doorgeven van signalen die wijzen op mogelijke weefselschade. Oestrogenen zijn ook betrokken bij pijnmodulatie, de processen waarmee het zenuwstelsel zulke signalen kan versterken of juist afremmen.
De relatie is complex en zeker niet zo eenvoudig als meer oestrogeen = minder pijn. Maar fluctuaties en uiteindelijk het verlies van ovarieel oestrogeen — het oestrogeen dat door de eierstokken wordt geproduceerd — kunnen wel invloed hebben op hoe pijnprikkels ontstaan en worden verwerkt.
Daar komt nog iets bij.
De menopauzale transitie vindt plaats tegen de achtergrond van veroudering en veranderingen in de regulatie van het immuunsysteem. Oestrogenen hebben immunomodulerende effecten: oestrogenen kunnen de activiteit en regulatie van het immuunsysteem beïnvloeden.
Het verlies van ovarieel oestrogeen wordt in onderzoek in verband gebracht met veranderingen in zowel pro- als anti-inflammatoire signalering. Dat zijn biologische signalen die ontstekingsactiviteit respectievelijk kunnen stimuleren of afremmen.
Dat betekent niet dat iedere vrouw tijdens de overgang ineens ‘ontstoken’ raakt.
Het betekent wel dat het inflammatoire milieu kan veranderen: de balans van processen die ontstekingsactiviteit stimuleren of juist afremmen.
En dat kan relevant zijn wanneer er bijvoorbeeld al artrose, een peesprobleem of een andere musculoskeletale kwetsbaarheid — een kwetsbaarheid van spieren, botten, gewrichten of pezen — aanwezig is.
Een knie waarin al jaren artrotische veranderingen bestaan, kan daardoor in deze levensfase veel nadrukkelijker van zich laten horen.
Niet noodzakelijk omdat in een paar maanden enorme nieuwe structurele schade is ontstaan, maar omdat de fysiologische omgeving waarin die bestaande schade zich bevindt, is veranderd.
En dan start een vrouw met HST en is de pijn weg
Dit is precies het punt waarop verhalen over artrose en hormoontherapie soms ontsporen.
Een vrouw heeft gewrichtspijn. Na de start met hormoonsuppletietherapie (HST) zegt dezelfde vrouw een paar maanden later:
“Mijn gewrichtspijn is verdwenen.”
Dat kan absoluut waar zijn.
Het is ook biologisch plausibel dat hormoontherapie bij een deel van de vrouwen invloed heeft op musculoskeletale klachten. Oestrogenen grijpen immers aan op bot, spier en verschillende gewrichtsstructuren en beïnvloeden daarnaast inflammatoire en neurologische processen — processen van het zenuwstelsel.
Maar uit het verdwijnen van pijn kun je niet concluderen dat bestaande artrose is verdwenen.
Minder pijn is niet hetzelfde als nieuw kraakbeen.
Bij artrose kunnen verschillende structurele veranderingen optreden. Er kan kraakbeen verloren gaan. Het subchondrale bot, het bot direct onder het gewrichtskraakbeen, kan veranderen. Er kunnen osteofyten ontstaan, benige uitgroeisels aan de randen van een gewricht. Ook het synovium en andere structuren in en rond het gewricht kunnen veranderen.
Als de pijn afneemt, kunnen die structurele veranderingen nog steeds bestaan.
Dat onderscheid geldt overigens net zo goed voor andere behandelingen. Een behandeling kan uitstekend werken tegen pijn zonder een gewricht anatomisch terug te brengen naar de toestand van twintig jaar geleden.
Dus bestaat het Musculoskeletal Syndrome of Menopause dan wel?
De term is interessant, maar vraagt om zorgvuldig gebruik.
Het Musculoskeletal Syndrome of Menopause is voorgesteld om aandacht te vragen voor het brede spectrum aan veranderingen van het bewegingsapparaat rond de menopauze. Denk aan gewrichtsklachten, botverlies, veranderingen in spiermassa en spierfunctie en veranderingen van pezen en bindweefsel.
Dat is waardevol, juist omdat musculoskeletale gezondheid — de gezondheid van spieren, botten, gewrichten, pezen en andere structuren die bewegen mogelijk maken — in het gesprek over de menopauze lang relatief weinig aandacht heeft gekregen.
Maar MSM is geen verklaring waarmee vervolgens iedere pijnlijke knie, schouder of hand van een vrouw van vijftig kan worden afgevinkt.
Want een vrouw kan óók artrose hebben. Of een tendinopathie, een aandoening van een pees waarbij onder andere pijn en een verminderde belastbaarheid kunnen optreden. Of een inflammatoire reumatische aandoening. Een oude blessure. Een sterk afgenomen fysieke belastbaarheid. Of verschillende problemen tegelijkertijd.
Hormonen kunnen onderdeel zijn van het verhaal zonder het hele verhaal te zijn.
Misschien is de overgang vooral het moment waarop je reserve zichtbaar wordt
Dat vind ik fysiologisch misschien nog wel het interessantste deel.
We bereiken de menopauze namelijk niet allemaal met hetzelfde bewegingsapparaat.
De ene vrouw heeft tientallen jaren veel bewogen en beschikt over relatief veel spiermassa, botmassa en cardiorespiratoire capaciteit — het vermogen van hart, longen, bloedvaten en spieren om tijdens inspanning zuurstof op te nemen en te gebruiken. Een andere vrouw heeft blessures gehad, jarenlang weinig kunnen bewegen, overgewicht ontwikkeld of al op jonge leeftijd artrose gekregen.
We nemen onze hele fysiologische voorgeschiedenis mee de overgang in.
En daarmee ook onze fysiologische reserve: de extra capaciteit die het lichaam nog heeft om belasting, verandering, ziekte of herstel op te vangen.
Vervolgens verandert er in relatief korte tijd behoorlijk veel.
De botturnover verandert: het voortdurende proces waarbij oud bot wordt afgebroken en nieuw bot wordt opgebouwd. Spieren en pezen krijgen met een andere hormonale omgeving te maken. De metabole gezondheid — onder andere de regulatie van glucose, vetten en energie — kan veranderen. De regulatie van inflammatie verandert en ook de verwerking van pijn kan worden beïnvloed.
Dan kan iets wat jarenlang gecompenseerd werd ineens merkbaar worden.
De overgang heeft die oude knieblessure niet veroorzaakt.
Maar de hormonale transitie kan wel bijdragen aan het moment waarop een al kwetsbaar systeem onvoldoende reserve blijkt te hebben om veranderingen even gemakkelijk op te vangen.
Dat is in de kern een totaal ander verhaal dan: je gewrichten doen pijn omdat je oestrogeen op is.
En ook een interessanter en gecompliceerder verhaal.
Wat moet je hiervan onthouden?
De belangrijkste takeaway is dat pijn, hormonen en structurele gewrichtsschade drie verschillende dingen zijn die elkaar wél kunnen beïnvloeden.
Tijdens de perimenopauze en na de menopauze kunnen hormonale veranderingen invloed hebben op het bewegingsapparaat, inflammatoire processen en pijngevoeligheid. Daardoor kunnen nieuwe musculoskeletale klachten ontstaan of bestaande klachten nadrukkelijker worden.
HST kan bij sommige vrouwen die klachten verminderen. Dat is een reëel effect en verdient serieuze aandacht.
Maar wanneer pijn vermindert, betekent dat niet automatisch dat bestaande artrose is genezen of dat verloren kraakbeen is teruggegroeid.
En andersom geldt ook: gewrichtspijn rond de menopauze betekent niet automatisch dat een vrouw artrose heeft.
Daarom moeten we bij musculoskeletale klachten rond de overgang niet minder breed kijken omdat we hormonen steeds beter begrijpen.
We moeten juist breder kijken.
Naar hormonen én naar het gewricht. Naar inflammatie én naar pijnverwerking. Naar spier- en botreserve, metabole gezondheid, belasting en herstel. En vooral naar de fysiologische voorgeschiedenis waarmee een vrouw deze levensfase binnenkomt.
Want de menopauze begint niet met een nieuw lichaam.
De hormonale transitie vindt plaats in het lichaam dat je in de decennia daarvoor hebt opgebouwd.