
Kun je met oestrogeen een leven lang te weinig belasting van je botten inhalen?
“Oestrogeen en krachttraining doen verschillende dingen voor je botten. Daarom heb je ze eigenlijk allebei nodig.”
Het klinkt logisch. En biologisch zit daar zeker iets in.
Oestrogeen en mechanische belasting beïnvloeden bot namelijk niet op precies dezelfde manier. Rond de menopauze valt een belangrijk deel van de beschermende invloed van oestrogeen weg, terwijl krachttraining een mechanische prikkel aan het bot geeft.
De conclusie lijkt dan snel gemaakt: oestrogeen én krachttraining zijn complementair. Het ene kan het andere niet vervangen.
Maar daarmee begint voor mij juist de meest interessante vraag.
Wat als je die krachttraining niet pas op je 52e begint, maar je botten al dertig of veertig jaar intensief hebt belast?
En andersom:
Wat kan oestrogeen eigenlijk nog voor een skelet betekenen dat tientallen jaren nauwelijks een serieuze mechanische trainingsprikkel heeft gekregen m.a.w. wat gebeurt er met een lichaam dat vanaf het dertigste levensjaar een vooral zittend bestaan heeft geleid?
Want botgezondheid begint niet bij de menopauze.
Bot is geen passieve voorraad calcium
Bot is levend weefsel dat voortdurend wordt afgebroken en opnieuw opgebouwd. Dat noemen we botremodellering.
Daarbij zijn verschillende botcellen betrokken. Osteoclasten breken bot af, osteoblasten bouwen bot op en osteocyten — volwassen botcellen die in het botweefsel zelf liggen — spelen een belangrijke rol bij het registreren van mechanische belasting.
En juist dat laatste is essentieel.
Bot reageert op belasting.
Wanneer voldoende kracht op een bot komt, vervormt het botweefsel op microscopisch niveau een klein beetje. Osteocyten kunnen die verandering waarnemen en omzetten in biologische signalen.
Dat proces heet mechanotransductie: het omzetten van een mechanische prikkel in een biologische reactie.
Daarom doet krachttraining iets wat een hormoon alleen niet kan doen: krachttraining levert daadwerkelijk de mechanische belasting waarop bot zich kan aanpassen.
Maar oestrogeen doet óók iets belangrijks
Na de menopauze neemt de botafbraak toe. Het wegvallen van ovarieel oestrogeen — oestrogeen dat vóór de menopauze voornamelijk door de eierstokken wordt geproduceerd — speelt daarin een belangrijke rol.
Oestrogeen beïnvloedt onder andere osteoclasten, osteoblasten en osteocyten en helpt daarmee de balans tussen botafbraak en botopbouw te reguleren.
Daarnaast blijkt de relatie tussen oestrogeen en mechanische belasting ingewikkelder dan twee losse systemen naast elkaar.
Oestrogeensignalering beïnvloedt namelijk ook de mechanosensitiviteit van bot: de gevoeligheid waarmee botcellen reageren op mechanische belasting.
Dus ja: oestrogeen en belasting werken via verschillende mechanismen.
Maar de mechanismen praten ook met elkaar.
Dat maakt de uitspraak dat krachttraining en oestrogeen ‘complementair’ zijn biologisch heel aannemelijk.
Alleen vertelt dat nog niet het hele verhaal.
Want wanneer begint dat verhaal?
Een vrouw krijgt haar eerste botten natuurlijk niet tijdens de menopauze.
Een belangrijk deel van de maximale botmassa wordt al tijdens jeugd en jongvolwassenheid opgebouwd. Daarna probeert het lichaam die botmassa zo goed mogelijk te behouden.
Daarom maakt het nogal uit met welk skelet iemand de menopauze bereikt.
Heeft iemand vanaf jonge leeftijd gesport, gesprongen, gerend en later jarenlang serieus aan krachttraining gedaan?
Of is iemand het grootste deel van het volwassen leven sedentair geweest — dus lichamelijk weinig actief — en begint de eerste structurele krachttraining pas rond het vijftigste levensjaar?
Dat zijn fysiologisch twee heel verschillende uitgangsposities.
Reserve doet ertoe
Hier komt het begrip fysiologische reserve om de hoek kijken.
Daarmee bedoelen we de extra capaciteit die het lichaam heeft om verandering, ziekte of verlies op te vangen voordat functioneren daadwerkelijk in de problemen komt.
Voor bot betekent dat onder andere dat de hoeveelheid en kwaliteit van bot waarmee je de menopauze bereikt ertoe doet.
Wie veel botreserve heeft opgebouwd, kan zich in een gunstigere uitgangspositie bevinden wanneer na de menopauze de botafbraak versnelt.
Dat betekent niet dat het verlies van oestrogeen ineens irrelevant wordt.
Het betekent wél dat hetzelfde hormonale verlies niet bij iedere vrouw vanuit hetzelfde fysiologische vertrekpunt plaatsvindt.
En precies dat mis ik regelmatig in discussies over menopauze en botgezondheid.
Kun je dan zonder oestrogeen sterke botten houden?
Dat is een interessantere vraag dan simpelweg zeggen dat oestrogeen noodzakelijk is voor sterke botten.
Ook bij oestrogeendeficiëntie blijft bot reageren op mechanische belasting.
Recent experimenteel onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat weerstandstraining ook bij oestrogeendeficiëntie botremodellering gunstig kan beïnvloeden. Bij postmenopauzale vrouwen zien we eveneens dat bot metabool blijft reageren op weerstandstraining.
Het skelet wordt na de menopauze dus niet ineens ongevoelig voor training.
Integendeel.
Maar we kunnen op basis van het huidige onderzoek niet concluderen dat levenslange krachttraining het verlies van oestrogeensignalering volledig kan compenseren.
Daarvoor ontbreekt het bewijs.
Wat we wél kunnen zeggen, is dat de hoeveelheid mechanische belasting vóór en na de menopauze een zelfstandige en belangrijke determinant van botgezondheid is.
En nu draaien we de vraag om
Want er wordt veel gesproken over de botbeschermende werking van hormoontherapie.
Die werking bestaat.
Maar stel dat iemand tientallen jaren nauwelijks een betekenisvolle mechanische prikkel aan het skelet heeft gegeven.
Kan oestrogeen dat dan volledig compenseren?
Ook dat lijkt fysiologisch onwaarschijnlijk.
Oestrogeen kan botresorptie — botafbraak — remmen en heeft verschillende gunstige effecten op botcellen en botremodellering.
Maar oestrogeen is geen halter.
Een hormoon levert niet de lokale mechanische krachten waarop botweefsel zich aanpast.
Een sedentair skelet krijgt door het toevoegen van estradiol niet ineens dezelfde trainingsprikkel als het skelet van iemand die regelmatig zwaar tilt, springt of andere voldoende hoge botbelastende activiteiten uitvoert.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Hormoontherapie kan een gebrek aan mechanische belasting niet wegbehandelen.
Misschien stellen we de vraag daarom te laat
Veel aandacht voor botgezondheid ontstaat pas rond de menopauze.
Dan meten we botmineraaldichtheid. Dan praten we over calcium en vitamine D. Dan ontstaat aandacht voor krachttraining. En dan komt eventueel hormoontherapie ter sprake.
Maar de botreserve waarmee iemand op dat moment aan de start verschijnt, is voor een belangrijk deel het resultaat van de decennia daarvoor.
Dat maakt krachttraining op latere leeftijd absoluut niet zinloos. Ook postmenopauzaal kan het skelet zich aanpassen aan mechanische belasting en weerstandstraining is juist dan bijzonder waardevol.
Maar beginnen met een grote reserve is iets anders dan proberen verloren terrein terug te winnen.
Wat moet je hiervan onthouden?
Oestrogeen en mechanische belasting zijn allebei belangrijk voor bot, maar ze zijn niet hetzelfde en ze zijn ook niet volledig uitwisselbaar.
Oestrogeen beïnvloedt onder andere de balans tussen botafbraak en botopbouw en speelt een rol in de gevoeligheid van botcellen voor mechanische belasting.
Krachttraining levert de mechanische prikkel waarop bot zich daadwerkelijk moet aanpassen.
Na de menopauze blijft die mechanische respons bestaan, ook wanneer de oestrogeenconcentraties laag zijn.
Daarom zou ik de discussie over botgezondheid niet beperken tot de vraag:
“Heeft een vrouw na de menopauze voldoende oestrogeen?”
De minstens zo belangrijke vraag is:
“Met hoeveel botreserve bereikt iemand de menopauze, en welke mechanische prikkel krijgt het skelet vervolgens nog?”
Hormonen doen ertoe.
Maar het skelet dat de menopauze bereikt, is in belangrijke mate opgebouwd in de tientallen jaren daarvoor.
En oestrogeen kan die voorgeschiedenis niet vervangen.
Miriam Martens MSc.